Voorwoord
“Niet gaan hangen!”
Shihan (meester-instructeur) Fred Horemans zegt het bijna terloops, maar achter dat half-grappende-half-serieuze adagium over lichaamshouding gaat een veeleisende én menselijke leraar schuil. Ik hoor die uitdrukking (vermoedelijk) voor het eerst als twaalfjarige, op de dag dat een schoolvriend mij meeneemt naar een training van zijn nieuwe hobby: Hakkō Ryū Jūjutsu, een Japanse zelfverdedigingskunst. Op die dag sluit ik me aan bij de Anjin Ryūmei dōjō te Vorselaar; al vraag ik me aanvankelijk wel af waar die “zwarte rokken” voor dienen.
De sfeer is er vriendelijk, respectvol en gemoedelijk, maar tegelijk ook serieus. De trainingen zijn gevarieerd en uitdagend, de technieken maken indruk. Ik ben meteen verkocht. Ik begin mijn lange opleiding bij Sensei (leraar) Fred wanneer hij net shihan is. Die lijn van doorgifte gaat rechtstreeks terug naar de stichter zelf: Shodai Sōke onderwees de Belg Antonio Garcia persoonlijk; Garcia leidde Fred op en benoemde hem tot Dai shihan (hoofdinstructeur). Fred trainde op zijn beurt bij rechtstreekse leerlingen van Hakkō Ryū’s stichter en mocht diens zoon en opvolger ontmoeten. Zo vormt hij mijn verbinding met de bron van Hakkō Ryū.
Na een kleine vijfentwintig jaar bij Anjin Ryūmei mag ik me shihan noemen. Dit is het moment waarop ik mijn verzamelde kennis behoor door te geven: een uitgelezen kans om alles neer te pennen. Het resultaat is een bundel van mondelinge overdracht en de zeldzame publicaties over Hakkō Ryū. Daarin wil ik ook mijn persoonlijke stem laten klinken.
Waarom spreekt Hakkō Ryū mijn jeugdige zelf zo aan? Waar komt die speciale sfeer in de dōjō vandaan? Hoewel ik het in 2000 nauwelijks besefte, ligt de bron bij de humanistische en vredelievende boodschap van Shodai Sōke Okuyama Ryūhō, de stichter van Hakkō Ryū. Die vormt het belangrijkste en meest onderscheidende kenmerk van de stijl. Als je ’s mans levensloop bekijkt, mag dat nauwelijks verbazen: hij groeit op in een periode van sociale onrust en maakt de Tweede Wereldoorlog mee.
Hakkō Ryū erkent dat een confrontatie al begint vóór daadwerkelijk handgemeen, en dat de-escalatie en vermijden altijd de eerste keuze zijn. Over de drie kernprincipes die dit concreet maken — niet uitdagen, geen weerstand bieden en niet kwetsen — lees je uitgebreid in het eerste hoofdstuk.
In het hoofdstuk geschiedenis ga ik in op hoe Okuyama en Hakkō Ryū een product van hun tijdsgeest zijn. Net daarom wil ik in dit boek hetzelfde doen: Hakkō Ryū in onze context plaatsen, en aan onze eigen erfenis bouwen. De Japanse krijgskunsten zijn een levende traditie. Bovendien strookt de oorspronkelijke leerwijze (een leerling die geleidelijk wordt ingewijd in de geheimen van de stijl, als ware het een religie) niet meer met onze moderne verwachting van transparantie.
Vandaar de titel van dit boek: Loslaten — De onzichtbare kracht van Hakkō Ryū jūjutsu. Loslaten verbindt de drie kernprincipes: wie niet uitdaagt, laat de drang tot confrontatie los; wie geen weerstand biedt, laat spierkracht los; wie niet kwetst, laat agressie los. Wie dat doet, bereikt juist meer. Die kracht is onzichtbaar, ze laat zich voelen, niet zien. Ik doel hierbij bewust op biomechanica en anatomie. Pseudowetenschappelijke claims over ki (levenskracht) en meridianen leg ik naast anatomische kennis. Hiermee wil ik de traditie verhelderen en nuanceren voor een moderne beoefenaar.
Dit boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel legt de grondslagen. In Het Achtste Licht lees je wat Hakkō Ryū onderscheidt van andere stijlen: de drie kernprincipes die elk aspect van de training bepalen en je als beoefenaar vormen. Geschiedenis geeft je de context om te begrijpen waarom Shodai Sōke Okuyama Ryūhō zijn stijl zo vormgaf: zijn leven, zijn tijdsgeest en zijn keuzes. Loslaten als filosofie en Loslaten in de praktijk tonen wat er moet gebeuren vóórdat een techniek werkt: de mentale bouwstenen die elk beoefenaar vroeg of laat herkent, en hoe ze terugkomen in de dagelijkse training. De medische erfenis legt uit wat de shiatsu-traditie (Japanse vingerdruktherapie) beweert en waarom ik er kritisch tegenover sta. De technische methode legt de opbouw van de basistechnieken uit, zodat je weet wat je in het tweede deel kunt verwachten. Dat tweede deel is een studie- en naslagwerk: de basistechnieken zelf, van Shodan gi (eerste graad) tot Yondan gi (vierde graad).
Aanvullend zijn er twee afzonderlijke supplementen: één met additionele technieken voor de Anjin Ryūmei-dōjō en één over de okuden, de gevorderde esoterische technieken.
Nog dit: er bestaat geen alternatief voor rechtstreekse overdracht van leraar op leerling in de dōjō. Dit boek vervangt het praktijkonderricht niet, maar vult het aan. Laat het boek je uitnodigen om na de training even stil te staan en na te denken over waar de School van het Achtste Licht voor staat. En wil je zelf ook op onderzoek? Achteraan vind je een bibliografie om je op weg te helpen.
Tot slot mijn uitdrukkelijke dank aan Senseis (leraren) Luca Verbeeck (nidan, tweede graad), Lies Marien (shodan, eerste graad), Demi Verleysen (shodan) en Kobe Kempenaers (shodan) voor hun medewerking.
Kono hon ga sukoshi demo o-yaku ni tatereba saiwai desu
13 juni 2026
Wouter-Sensei