Hoofdstuk 1
Het Achtste Licht
Bij het bredere publiek is jūjutsu een vrij onbekend begrip, laat staan Hakkō Ryū. Al ettelijke malen heb ik geprobeerd de vraag “wat doe je nu eigenlijk?” te beantwoorden. Een sluitend antwoord is echter moeilijker te formuleren dan je zou denken. De meeste mensen hebben een beperkt beeld van jūjutsu, gekleurd door populaire media. Ze denken dan aan vechtsporten, competitie,… In het beste geval zal een enkeling vragen of het iets te maken heeft met Aikidō. Dat is al een stuk dichter bij de werkelijkheid, maar wat zijn dan de kenmerken van Hakkō Ryū zelf?
八光
Hakkō Ryū Jūjutsu, of de “Jūjutsu-School van het Achtste Licht”, is het geesteskind van Shodai Sōke Okuyama Ryūhō. Hij brengt zijn kijk op de Japanse verdedigingskunsten voor het eerst naar buiten in 1941 en vernieuwt daarmee de oude tradities van budō. Zijn belangrijkste inspiratie was Daitō Ryū (waaruit ook Aikidō is voortgekomen). Hij stelt drie kernprincipes voorop: niet uitdagen, geen weerstand bieden en niet kwetsen.
De volledige naam van de stroming is overigens Nippon Bugei Shigoshin-dō Hakkō Ryū Jūjutsu (日本武芸司護身道八光流柔術) en betekent zoveel als “Japanse School voor Zelfverdedigingskunsten van het Achtste Licht”.
Waarom deze naam? Okuyama koos de naam hakkō of “achtste licht” naar een metaforische interpretatie van het kleurenspectrum. Volgens zijn filosofie verdeel je het spectrum in negen segmenten:
| infrarood | donkerrood | rood | oranje | geel | groen | blauw | indigo | ultraviolet |
| (1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | (7) | (8) | (9) |
| zon | ||||||||
| kracht | ontstaan | |||||||
In dit spectrum zijn er zeven zichtbare kleuren. Hiervan is rood de kleur van de zon: oprechtheid, beleefdheid, nationale trots. Aan het begin en het einde van het spectrum vinden we infrarood en ultraviolet. Samen vormen ze het achtste licht: niet zichtbaar voor het blote oog, maar verrassend krachtig. Infrarood staat voor de kracht en het geheim ervan; ultraviolet, het keizerlijke paars, voor het ontstaan en de groei.
Deze naamkeuze vindt plaats in een historische context, wat aan bod komt in het volgende hoofdstuk. Hier wil ik echter de kans aangrijpen om mijn eigen blik mee te geven. Waar de verdere kleur-numerologie en verwijzingen naar het boeddhisme me te zweverig zijn, treft de simpliciteit van die dualiteit me wel: het idee dat er een kracht in ons schuilt die we kunnen ontwikkelen en inzetten om onszelf en anderen te beschermen zonder schade toe te brengen. De kracht begint klein en onzichtbaar, ontwikkelt zich en groeit tot ze aan het andere uiteinde weer onzichtbaar wordt. Ik vind het een mooie metafoor voor mijn eigen leerproces en het resultaat ervan: een aartsmoeilijke techniek ziet er door de geconcentreerde, verborgen kracht toch bedrieglijk eenvoudig uit.
De metafoor beschrijft niet alleen een naam van een ryū, ze zegt iets over hoe het systeem werkt. Haar principes manifesteren zich in een combinatie van ideeën uit de oude Chinese geneeskunde (de heelmeester kan zijn kennis ook omkeren — al wil ik deze tradities later wel enigszins nuanceren met hedendaags wetenschappelijk inzicht) en de pragmatische technieken uit Daitō Ryū Aiki Jūjutsu. Ze veroorzaken intense, maar onschadelijke pijn om de wil van een aanvaller te breken. Het doel is om hem te neutraliseren, te controleren en te ontmoedigen met een minimum aan kracht en met maximale efficiëntie. Okuyama-sensei creëerde zijn systeem in de overtuiging dat succesvolle toepassing van techniek alle fysieke kracht overstijgt. Tijdens een Hakkō Ryū-training helpt de leraar je de neiging tot schrap zetten en spierkracht te doorbreken, ten gunste van soepelheid en flexibiliteit. Achter elke techniek schuilen meerdere principes, of gensoku, die kracht compenseren en teniet doen.
Wat kunnen deze gensoku voor je betekenen? De basis van Hakkō Ryū kent geen vaste verdedigingsvormen (denk aan honderden technieken, allemaal gericht op verschillende mogelijke praktijksituaties). In plaats daarvan verloopt de doorgifte van Hakkō Ryū’s principes met speciaal daarvoor ontworpen technieken. De overdracht van leraar naar leerling gebeurt mondeling (kuden) en rechtstreeks. Deze werkwijze onderscheidt het systeem van zijn voorganger Daitō Ryū. De principes belasten een tegenstanders gewrichten niet overmatig; ze laten ze soepel meebewegen. Dit vereist minder kracht, is moeilijker te weerstaan en brengt scherpe pijn teweeg. Maar laat ik nu terugkomen op de drie kernprincipes die dit alles moeten ondersteunen. Ze zijn de leidraad voor alle technieken en zijn alle drie even fundamenteel.
1.1 Niet uitdagen
Wanneer ik iemand over mijn jūjutsu vertel, komt onvermijdelijk de vraag of het een vechtsport is en of ik aan competitie doe. Het antwoord is nee. Hakkō Ryū is door haar filosofie hier fundamenteel niet compatibel mee. De technieken zijn bedoeld om een aanvaller te ontmoedigen, niet om hem te verslaan in een gevecht. Mede mijn ervaringen in de dōjō van Fred Horemans hebben me geleerd helder te denken en effectief te reageren in stressvolle situaties, zonder de intentie om te vechten of te winnen. Zijn advies minder doen, niet meer is trouwens ook relevant voor de andere principes.
挑
ま
ず
Het ethisch kader van Hakkō Ryū begint met deze basishouding. De technieken van Hakkō Ryū mogen slechts aangewend worden voor zelfverdediging. Studenten leren weliswaar hoe ze moeten aanvallen, maar uitsluitend om de context van een techniek te begrijpen; het zou al te makkelijk zijn om enkel een zwakke aanval te leren pareren. Alleen bij buitensporige dreiging mogen ze overgaan tot technieken die kwetsuren kunnen veroorzaken. Hierin herken je voor het eerst de gedachte van menswaardigheid.
Dat Hakkō Ryū niet compatibel is met competitie, leidt soms tot weinig productieve discussies over wat “een echt gevecht” is — meestal in een context van macho-gedrag, waarbij men alle vormen van confrontatie gelijkstelt aan een hypothetisch kooigevecht. In werkelijkheid bestaat er een verscheidenheid aan mogelijke confrontaties: een meningsverschil op het werk, gevaarlijk gedrag in het verkeer, een vuile blik in de kroeg, halfslachtig duw- en trekwerk. In onze maatschappij is een fysieke worsteling eerder de uitzondering, gelukkig maar. Hakkō Ryū richt zich op de niche van de moderne samenleving, met zijn wetten, rechten en plichten. Iemand die gefascineerd is door kooivechten, vindt zijn gading beter bij een MMA-club. En daar is niets mis mee.
Onze samenleving is ingericht als een rechtsstaat, waarin onze moderne opvattingen over zelfverdediging juridisch zijn gecementeerd. We hebben een politieapparaat dat er streng op toeziet dat elk gebruik van geweld uitzonderlijk, proportioneel en geoorloofd is. Hier maakt Hakkō Ryū de aansluiting met de realiteit van onze tijd.
Als beoefenaar kan ik een belager immobiliseren met een krachtige techniek. Toch mag dit nooit mijn eerste optie zijn. Mijn eerste reactie moet altijd de-escalatie zijn in plaats van provocatie. Bij een uitdaging negeer ik eerst de agressor en vermijd ik verdere confrontatie. Eigen zelfverzekerdheid, terughoudendheid en zelfbeheersing zijn daarbij de krachtigste wapens.
Hakkō Ryū is een stijl die veilig kan worden geleerd, omdat de technieken geen kwetsuren toebrengen aan de aanvaller. Maar dit kan alleen als ik mezelf soepel opstel, zowel fysisch als filosofisch.
1.2 Geen weerstand bieden
Je kent misschien het cliché dat je “de kracht van de tegenstander tegen hem moet gebruiken”. Deze frase doet me eigenlijk eerder hol aan, en ze legt het initiatief bij de aanvaller. In die zin is het inzicht om mezelf inschikkelijk op te stellen veel aantrekkelijker voor me: ik neem actief de controle over de situatie, en toch zonder te provoceren.
逆
ら
わ
ず
Het Japanse woord jū kan worden vertaald als zacht, soepel, flexibel, buigzaam of meegaand. Dit geeft me de mogelijkheid jūjutsu te lezen als krijgskunsten die de kracht van een tegenstander manipuleren, eerder dan ze met meer kracht te beantwoorden. Bij Hakkō Ryū is het zaak mij inschikkelijk op te stellen ten opzichte van een belager. Ook hierin schuilt de gedachte van menswaardigheid.
Al vroeg in mijn loopbaan leer ik fysieke kracht los te laten, wat automatisch leidt tot een ontspannen houding tegenover een eventuele aanvaller. Door de impuls tot een frontale confrontatie te onderdrukken, vergroot ik mijn eigen mogelijkheden aanzienlijk.
Wanneer het principe van “niet uitdagen” geen oplossing meer biedt en een handgemeen onvermijdelijk wordt, is het beter voor mij om tijdens technieken geen spierkracht te gebruiken, omdat dat de correcte uitvoering ervan belemmert. In plaats daarvan is het zaak mezelf instinctief te ontspannen wanneer de aanval komt.
Kracht is bij Hakkō Ryū geen essentieel element. Dit staat in schril contrast met sommige andere scholen, waar veel tijd wordt besteed aan het oefenen van complexe lichaamsbewegingen die grote lenigheid en vaak ook veel lichaamskracht van de beoefenaar vereisen. Hakkō Ryū maakt uitsluitend gebruik van natuurlijke lichaamsbewegingen die geen extra training vergen. Dit maakt de technieken toegankelijk voor een groot publiek: jong en oud, man en vrouw, groot en klein.
In de dōjō herhalen de aanwezigen de aanvankelijk eenvoudige technieken steeds weer. Telkens opnieuw leg ik de neiging tot kracht opzij: zo wordt ontspanning een instinctieve reactie. Je bewegingsvrijheid wordt groter, je omgang met pijn verbetert, en het wordt moeilijker om gecontroleerd te worden. Voor een aanvaller die kracht gebruikt is het tegengestelde waar. Uiteindelijk zal die intuïtieve staat van ontspanning helpen om helder te blijven denken in moeilijke situaties. Bovendien is ze elementair voor het derde principe: niet kwetsen.
1.3 Niet kwetsen
Een ander cliché dat ik wel eens voorgeschoteld krijg: “dan moet je wel gevaarlijk zijn!”. Laat ik dit hardnekkige misverstand direct ontkrachten.
傷
つ
け
ず
Je bent ongetwijfeld bekend met allerhande agressieve vechtsporten. Ze maken gebruik van technieken die een aanvaller zwaar kwetsen; zoals een elleboogstoot naar het hoofd, een kniestoot naar het kruis, enzovoort. Je kent vechtscènes van TV, films en videogames. Daartegenover staat de realiteit: ik had het eerder al over onze moderne rechtsstaat waar dit soort excessen geen plaats hebben. Toch komt het me voor dat veel minder mensen weten hoe ze zich effectief kunnen beschermen zónder een tegenstander ernstig te verwonden. Dit is waar Hakkō Ryū-technieken tot hun recht komen. Okuyama Ryūhō kwam tot het inzicht dat technieken voor het strijdperk geen plaats hebben in een hedendaagse maatschappij. Hakkō Ryū laat geen ruimte voor acties die botbreuken, bloedingen of andere letsels met ernstige gevolgen kunnen veroorzaken.
Dit is de derde, en laatste, humane kernwaarde van Hakkō Ryū. Okuyama’s “zachte” technieken werden ontworpen om een aanvaller te ontmoedigen of eventueel te arresteren. Ze kunnen weliswaar zeer pijnlijk zijn, maar deze pijn is altijd tijdelijk. Het doel is om een opponent in verlegenheid te brengen met verfijnde en kordate techniek.
Wat maakt deze drie principes vernieuwend? Daarvoor moet ik verder ingaan op de relatie en de plaats die de stijl inneemt binnen budō, het bredere landschap van Japanse krijgskunsten en hun erfgenamen.
1.4 budō en vernieuwing
Ik stelde al dat Hakkō Ryū een budō is. Wat betekent dat precies? Welke niche neemt Hakkō Ryū in? Wat onderscheidt haar? Het verband met budō voor het eerst zien, voelde voor me als een openbaring: ik zag de historische erfenis terug in een systeem dat ik al begreep.
Budō is letterlijk “de weg van de krijgskunst”. Het concept omvat veel meer dan alleen krijgstechnieken; het is een filosofie en levenswijze die discipline, respect en zelfverbetering benadrukt. Budō is geworteld in de samurai-cultuur, waar krijgers niet alleen bekwaam moesten zijn in de strijd, maar ook een sterke morele en ethische code volgden. Er zijn verschillende vormen van budō, waaronder jūdō, jūjutsu, kendō, Aikidō en karate; elk met eigen technieken en trainingsmethoden, maar verenigd door de kernwaarden van respect, zelfbeheersing en mentale focus.
Hakkō Ryū is in deze zin nadrukkelijk een gendai budō: een moderne krijgskunst die bewust breekt met de op het strijdperk gerichte tradities die eraan voorafgingen. Die breuk is niet louter technisch; ze is in de eerste plaats filosofisch. De drie kernprincipes zijn haar directe uiting: ze vertalen de idealen van budō naar concrete richtlijnen.
De ethische code van budō, aangeduid als bushidō of de weg van de krijger, benadrukt waarden als rechtvaardigheid, moed, mededogen, beleefdheid, eerlijkheid en loyaliteit. Hoe meer ik die waarden naast de drie principes leg, hoe minder toevallig de gelijkenis me lijkt. Niet uitdagen weerspiegelt moed en terughoudendheid. Geen weerstand bieden belichaamt het ideaal van harmonie: je werkt mee met de kracht van de ander in plaats van ertegen in te gaan. Niet kwetsen is mededogen in de praktijk.
Budō is levenslang leren. Beoefenaars streven ernaar om naast hun technieken ook hun karakter aan te scherpen. In Hakkō Ryū zie ik dat concreet. Vanaf de eerste les werk je de neiging tot kracht tegen, ten gunste van ontspanning en technisch inzicht. Elke herhaling van een techniek is een oefening in loslaten en verbeteren; het idee van kaizen of voortdurende verbetering. Het vormt de kern van training. De beoefenaar werkt niet alleen aan zijn techniek, maar ook aan zijn karakter, zelfbeheersing en het vermogen om helder te blijven denken onder druk. Dat idee van loslaten vormt de rode draad van dit boek.
Waar Hakkō Ryū zich verder onderscheidt binnen het budō-landschap is de synthese van krijgskunst en geneeskunde. Shodai Sōke beschouwde ze als twee kanten van dezelfde medaille: de kennis van het lichaam die een heelmeester nodig heeft om te genezen, kan de krijgskunstenaar inzetten om te controleren. Die koppeling is volgens hem tastbaar tot op het niveau van de techniek: de atemi van Hakkō Ryū zijn geënt op de beginselen van Koho Shiatsu, Okuyama’s eigen methode van vingerdrukpunten. Die synthese doet bij mij ook een eerlijke vraag opkomen: de geneeskundige tradities waarop Hakkō Ryū steunt zijn niet onomstreden. Volgens mij klopt Okuyama’s stelling dan ook niet. Ik wil die spanning niet verdoezelen: ze is een van de redenen waarom ik dit boek schrijf, en ik kom hier in het hoofdstuk over shiatsu op terug.
Wat is Hakkō Ryū, dan? Het is een moderne budō-school die zich onderscheidt door haar nadruk op niet uitdagen, geen weerstand bieden en niet kwetsen. Ze is geworteld in de erfenis van de Japanse krijgskunsten en heeft tegelijk een eigen filosofische en technische benadering ontwikkeld. Die is zichtbaar in elke techniek. Waar ze vandaan komt, en hoe één man haar samenbracht tot iets nieuws, verken ik in het volgende hoofdstuk.