Nawoord

Laten we even terugkeren naar Okuyama’s citaat aan het begin van dit boek. Hij sprak over een plek waar je niet hoeft te zoeken, maar waar je kunt vinden wat waardevol voor je is. Wat betekent dat nu? Wat is die plek? En wat is dat waardevolle? Er is geen eenduidige interpretatie van zijn woorden, maar voor mij is die plek de dōjō. En daarbij ook de bredere gemeenschap van beoefenaars en leraren. Het is een plek waar je niet alleen technieken leert, maar ook een stukje levensfilosofie, een manier van zijn. Het is een plek waar je jezelf kunt ontwikkelen. Je kunt er verbinding maken en vindt er budō-waarden van respect, discipline, doorzettingsvermogen en nederigheid.

Toen ik dit boek begon te schrijven, was mijn eerste doel een compendium van technieken samen te stellen om de “state of the art” van Hakkō Ryū zoals ik die geleerd heb vast te leggen. Dat blijft een zeer belangrijk element; ik heb na lang zoeken geen andere werken gevonden die zo gedetailleerd zijn. Laat staan in het Nederlands! Gaandeweg besefte ik dat een puur technische focus een gemiste kans zou zijn. De beschikbare publicaties zijn goed bedoeld, maar missen de verfijning die mijn soms wat academisch ingestelde geest verwacht: ze zijn ofwel puur op technieken gericht, ofwel ongenuanceerd, zonder kritische reflectie of context. Het idee groeide om de kunst die mij zo na aan het hart ligt op een meer holistische manier te benaderen. De titel “Een hedendaagse interpretatie” weerspiegelt die bredere aanpak: dit is niet alleen een technische handleiding, maar ook een reflectie die je elders niet snel zult vinden.

Het resultaat is zeker geen wetenschappelijk werk met ettelijke voetnoten, verwijzingen en citaten, maar door een bronnenlijst en bibliografie op te nemen wil ik transparant zijn over waar de mosterd vandaan komt. Door de apocriefe aard van de beschikbare informatie is het schier onmogelijk geweest een objectieve waarheid te reconstrueren. Ik nodig je hierbij dus ook uit om zelf op onderzoek uit te gaan en verder te reflecteren. Die transparantie vraagt ook om eerlijkheid over mijn eigen positie.

Die positie in de diaspora roept vragen op die ik niet wil omzeilen. Ik train en geef onderwijs binnen een school die niet langer de officiële zegen draagt van de hombu. Dat is een bewuste keuze, en ze verdient verantwoording. Ik blijf bij de dōjō van Fred Horemans omdat ik de waarden van Shodai Sōke nog steeds herken: de nadruk op de-escalatie, de openheid naar buitenstaanders, de bereidheid om kennis te delen in plaats van te bewaken.

De keuze voor openheid is niet vanzelfsprekend in de martial arts-wereld. Legio zijn de verhalen van Daitō Ryū-leraren die hun ervaring in naam van geheimhouding meenamen in het graf, of erger nog: bewust foute informatie verspreidden. Helaas is dit patroon niet uniek aan Daitō Ryū; ook in de bredere budō-wereld is het herkenbaar, en Hakkō Ryū vormt daarin geen uitzondering. Het is mijn mening dat dit uiteindelijk enkel tot collectieve verarming kan leiden.

Achter dit boek zelf zit ook een keuze. Wie schrijft met gezag over een traditie waarvoor hij geen officiële certificering van de hombu bezit? Mijn antwoord: gezag komt niet alleen van boven, maar ook van een leven lang beoefenen, van kritische reflectie en van de bereidheid om vragen te stellen. Shodai Sōke brak zelf met zijn meester en maakte iets nieuws. Dat ik in zijn erfenis train, maar niet in zijn directe institutionele opvolging, lijkt me een eerlijk lot. Tenslotte maak ik geen geheim van zijn essentiële rol.

Want Okuyama was een complex figuur, een product van zijn tijd, een vernieuwer, en ook iemand die vasthield aan tradities. Hem louter in een positief licht schetsen — of omgekeerd, zoals sommigen doen — zou hem oneer hebben aangedaan. Hij heeft een verhaal geschreven; nu is het aan ons om ons eigen verhaal te schrijven en uiteindelijk de volgende generatie te inspireren.

Bedankt voor het lezen
O-yomi itadaki arigatō gozaimasu
Wouter-Sensei